Een man verkoopt tien jaar na de echtscheiding de echtelijke woning. Er blijft een restschuld over. Hij wil dat zijn ex-vrouw daar de helft van betaalt. De rechtbank Noord-Holland komt op basis van de redelijkheid en billijkheid tot een andere verdeling.
Tot 1 januari 2018 gold de wettelijke regel dat beide echtgenoten bij ontbinding van de gemeenschap ieder voor een gelijk deel draagplichtig zijn voor gemeenschapsschulden. Afwijking hiervan kan alleen in zeer uitzonderlijke situaties, wanneer toepassing van dit uitgangspunt naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In het nieuwe recht – zoals dat geldt vanaf 1 januari 2018 – staat expliciet dat de gelijke draagplicht kan worden doorbroken wanneer de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede gezien de aard van de schuld, tot een andere verdeling nopen. Daarmee bestaat een ruimere mogelijkheid om van de hoofdregel af te wijken. Omdat in deze zaak de huwelijksgemeenschap is ontbonden voor 1 januari 2018 is uitsluitend het oude recht van toepassing. De rechter moet dus toetsen aan de striktere maatstaf van het oude recht.
Verkoop
In het echtscheidingsconvenant spreken partijen af dat de woning wordt verkocht en dat een eventuele onderwaarde wordt gedeeld. De verkoop vindt echter tien jaar na de scheiding plaats. In die periode daalt de waarde van de woning aanzienlijk, wat leidt tot een restschuld van ruim € 47.000. De man betaalt vrijwel de gehele schuld en vordert vervolgens ruim € 23.000 van de vrouw op basis van regresrecht.
Uitzondering
Dat is volgens de rechtbank niet helemaal terecht. Volgens de rechter is in deze zaak sprake van een uitzonderlijke situatie, die afwijking van de gelijke draagplicht rechtvaardigt. Daarbij wegen onder meer mee het tienjarige uitstel van de verkoop, de aanzienlijke waardedaling van de woning in die periode en het ontbreken van invloed van de vrouw op de staat van de woning en de verkoopprijs. Ook acht de rechter de gespannen verhouding tussen de man en de vrouw (met onweersproken een verleden van huiselijk geweld en coercive control) van belang. Net als de persoonlijke omstandigheden van de vrouw: zij heeft mede als gevolg van chronische ptss geen inkomen. De rechter stelt de draagplicht van de vrouw daarom vast op € 5.000 en wijkt daarmee af van het uitgangspunt van de gelijke draagplicht.
