Werknemer heeft alleen recht op faillissementsuitkering als hij daadwerkelijk heeft gewerkt

21 december 2023 | Insolventierecht

Als de curator in een faillissement een arbeidsovereenkomst opzegt, kan de werknemer recht hebben op een faillissementsuitkering. Deze moet wel voldoen aan bepaalde voorwaarden.

In deze zaak wordt een BV failliet verklaard, waarna de curator de arbeidsovereenkomst van een werknemer opzegt. Zij vraagt bij het Uwv een zogenoemde faillissementsuitkering aan. Het Uwv weigert dit omdat het eerst wil weten hoe het dienstverband tot stand is gekomen en welke werkzaamheden de vrouw heeft verricht. Omdat de vrouw niet met de juiste informatie komt, wordt de uitkering geweigerd. Hiertegen gaat de vrouw in bezwaar en beroep, maar zij verliest beide procedures. Vervolgens gaat zij in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Faillissementsuitkering

Als een bedrijf failliet gaat, lopen de contracten van de werknemers in principe door: ze moeten blijven werken en hebben recht op loon. De curator kan deze contracten wel opzeggen. De opzegtermijn in faillissement is maximaal zes weken. Zolang moet het loon worden betaald. Als de werkgever dit niet meer kan betalen, kan het Uwv dit overnemen. Deze kan het loon over maximaal dertien weken betalen (tot het ontslag), of het loon tijdens de opzegtermijn (maximaal zes weken). Dit heet een faillissementsuitkering.

Privaatrechtelijke dienstbetrekking

In deze zaak concludeert het Uwv dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond tussen de vrouw en de BV. Dat is een voorwaarde om een faillissementsuitkering te kunnen ontvangen. Nu de vrouw die uitkering wil, moet zij bewijzen dat er een privaatrechtelijke dienstbetrekking bestond. Voor het aannemen van zo’n dienstbetrekking moet sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Dan pas is er een arbeidsovereenkomst.

Gezagsverhouding

Uit het dossier blijkt niet, aldus het Uwv, dat er arbeid is verricht. Daarnaast zou de familierelatie tussen de vrouw en de bestuurder van de BV de gezagsverhouding overheersen, waardoor het Uwv vraagtekens zet bij het door de BV uitgeoefende gezag. Uit loonstroken en de arbeidsovereenkomst zou volgens de vrouw blijken dat zij daadwerkelijk heeft gewerkt en dat sprake was van een gezagsverhouding. Maar het Uwv ziet dat helemaal niet als bewijs dat zij daadwerkelijk heeft gewerkt, en de Centrale Raad van Beroep is het daarmee eens.

Geen uitkering

De vrouw komt niet met informatie over de feitelijke werkzaamheden en heeft ook niet duidelijk gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding. Zo was er geen duidelijk onderscheid te zien tussen de familierelatie en de werkrelatie, en nergens bleek dat de BV een instructie- en controlebevoegdheid had. Nu het bestaan van een arbeidsovereenkomst niet aannemelijk is geworden, heeft de vrouw geen recht op een faillissementsuitkering.

ECLI:NL:CRVB:2023:2200

Bron:Centrale Raad van Beroep| jurisprudentie| ECLI:NL:CRVB:2023:2200| 15-11-2023