Verplichting tot betaling van de erfpachtcanon is geen boedelschuld

6 februari 2024 | Insolventierecht

Een erfpachter gebruikt een stuk grond van een ander en betaalt daarvoor een ‘canon’. Als de erfpachter failliet gaat maar de erfpachtovereenkomst doorloopt, wil de grondeigenaar die canon ook ontvangen. De Hoge Raad oordeelde of deze daar recht op heeft.

Een grondeigenaar geeft aan een vastgoedondernemer een bedrijfsterrein in erfpacht uit. De vastgoedondernemer (de erfpachter) moet voor dat gebruik een bedrag betalen, de zogeheten erfpachtcanon. Als het vastgoedbedrijf failliet wordt verklaard, houdt de betaling op. Na het uitspreken van het faillissement blijft de erfpachtrelatie tussen het vastgoedbedrijf en de eigenaar van de grond (de ‘erfverpachter’) in stand. De eigenaar wil dat de curator in het faillissement van het vastgoedbedrijf de tijdens het faillissement verschuldigd geworden erfpachtcanons alsnog betaalt. Zowel de rechtbank als het gerechtshof heeft in eerdere procedures dit standpunt verworpen en de vordering afgewezen. De grondeigenaar gaat vervolgens in cassatieberoep.

Buiten concurrente schuldeisers om

Bij de Hoge Raad betoogt de grondeigenaar dat een canonbetalingsverplichting, die in de erfpachtakte is opgenomen, onderdeel is van het erfpachtrecht en als een goederenrechtelijke verplichting moet worden behandeld. De canonbetalingsverplichting kan daardoor worden afgedwongen buiten de concurrente schuldeisers om. Het is een verplichting die op de curator rust: de openstaande erfpachtcanon is een boedelschuld. De wetgever beschouwt pacht en huur ook als boedelschuld omdat deze te maken hebben met betaling voor het gebruik van een goed dat de curator kennelijk nodig vindt voor de afwikkeling van het faillissement. Dit zou ook moeten gelden voor de erfpachtcanon, aldus de grondeigenaar.

Kwalitatieve verbintenis

Net als de rechtbank en het hof wijst ook de Hoge Raad dit af. De betaling van de erfpachtcanon is in het stelsel van het Burgerlijk Wetboek geen goederenrechtelijke verplichting, maar een zogenoemde kwalitatieve verbintenis die op de erfpachter rust. De wetgever heeft voor de verplichting tot betaling van de erfpachtcanon en voor opzegging van de erfpacht wegens wanbetaling een regeling getroffen, maar in de Faillissementswet staat geen regeling voor de erfpachtcanon die vergelijkbaar is met huur. Dat betekent dat de verplichting tot betaling van de erfpachtcanon, die verschuldigd is geworden tijdens het faillissement van de erfpachter, geen boedelschuld is. De curator hoeft de erfpachtcanon dan ook niet aan de grondeigenaar te betalen.

ECLI:NL:HR:2024:56

Bron:Hoge Raad| jurisprudentie| ECLI:NL:HR:2024:56| 18-01-2024