Verhuisverbod alleen als belangen minderjarige op het spel staan

12 maart 2024 | Personen- en familierecht

Een gescheiden stel heeft de zorg over een minderjarige dochter half om half verdeeld. Zonder overleg met de vader besluit de moeder te verhuizen naar haar partner in België, waar ze al zeven jaar een relatie mee heeft. De vader vraagt de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland in een kort geding om de vrouw een verhuisverbod op te leggen.

Volgens de vader zijn de gevolgen van de verhuizing groot voor het contact tussen moeder en dochter. Hij is bang dat de band tussen hen zal verwateren. De moeder zal haar dochter alleen in het weekend kunnen zien en voor die bezoeken zal de moeder of de dochter steeds 3,5 uur moeten reizen. De dochter wil graag in Nederland blijven wonen. De zorg voor haar zal daardoor bijna volledig bij de vader komen. Dit maakt inbreuk op diens gezinsleven.

Weekendregeling

Het breekt de moeder fysiek op dat zij al drie jaar lang op en neer moet reizen naar haar partner in België. Hij kan vanwege zijn vaste baan daar niet naar Nederland verhuizen. De vrouw heeft haar huur in Nederland opgezegd en met haar partner een huis in België gekocht. Een weekendregeling lijkt haar het beste: de ene week zien zij en haar dochter elkaar op een door haar te zoeken onderkomen in Nederland, de andere week zijn ze samen in België. Ook de helft van de vakanties zal het kind bij haar moeder zijn. Zo zal zij niet meer in België zijn dan ze nu al is, en haar sociale leven – voetbal en een bijbaan – in Nederland kunnen behouden. De moeder zal het reizen van haar kind regelen.

Geen verhuisverbod

Op basis van de wet kan alleen een verhuisverbod worden opgelegd als de belangen van een minderjarig kind door de verhuizing in het gedrang kunnen komen. De voorzieningenrechter van de rechtbank benadrukt dat het primaire belang van de dochter in dit geval is om betekenisvol contact te hebben met beide ouders. Hoewel de door de moeder voorgestelde weekendregeling een beperking is van de huidige regeling, hoeft dat volgens de voorzieningenrechter niet in de weg te staan aan betekenisvol contact. Daarbij overweegt de rechter dat het kind niets heeft aan co-ouderschap als de moeder dat niet meer aan kan. Het voorgenomen besluit van de moeder om te verhuizen heeft weliswaar impact op het gezinsleven van de vader, maar dit leidt volgens de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. Het door hem geëiste verhuisverbod wordt afgewezen en de vordering van de moeder om het kind voorlopig aan de vader toe te vertrouwen eveneens. De voorzieningenrechter stelt de door de moeder ter zitting voorgestelde zorgregeling als voorlopige regeling vast.

ECLI:NL:RBNHO:2024:1770

Bron:Rechtbank Noord-Holland| jurisprudentie| ECLI:NL:RBNHO:2024:1770 C/15/346515 / KG ZA 23-642| 01-01-2024