Een man en een vrouw zijn de ouders van een minderjarig kind dat bij de moeder woont. Omdat sprake is van eenhoofdig gezag, mag alleen zij belangrijke beslissingen over het kind nemen. Om de twee weken verblijft het kind enkele dagen bij de vader. Die vraagt de rechtbank Midden-Nederland om ook hem te belasten met ouderlijk gezag. De moeder verzet zich hiertegen.
Uitgangspunt van de wet is dat de ouders het gezag over een kind gezamenlijk uitoefenen. Is de vader bevoegd tot het gezag maar heeft hij het niet, dan kan hij de rechtbank verzoeken beide ouders met het gezag te belasten. Zo’n verzoek wordt alleen afgewezen als er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen. Als vaderlijk gezag niet in het belang van het kind is, gaat het ook niet door.
Huiselijk geweld
In dit gezin was de situatie altijd zorgelijk, met onder andere huiselijk geweld door de vader. Moeder en kind verbleven daarna in een opvanghuis, de vader kreeg een contactverbod. Dat laatste is na twee jaar opgeheven. De vader heeft nu een ruime omgangsregeling met het kind.
Belang van het kind
Tussen de ouders bestaat geen gelijkwaardige verhouding. In een appgroep van de ouders en een jeugdbeschermer blijkt dat de vader dominant en directief is. De moeder voelt zich niet vrij om nee te zeggen en doet dan wat de vader graag wil. De jeugdbeschermer vreest dat bij gezamenlijk gezag vooral zal worden beslist wat de vader wil, wat niet in het belang van het kind is. De vader weigert om zijn adres met de moeder te delen, zodat zij niet weet waar het kind is als ze bij hem verblijft. Hij gedraagt zich zo, stelt hij zelf, vanuit zijn ongelijkwaardige positie als ouder zonder gezag. Die disbalans verdwijnt als hij ook gezag krijgt, waardoor de communicatie met de moeder zal verbeteren.
Geen gezag
Maar de rechtbank vindt dat de vader dit alles onvoldoende onderbouwt. De verstandhouding tussen de ouders is niet goed. De rechtbank hecht meer waarde aan de uitlatingen van de moeder en de jeugdbeschermer. De vrees van de moeder dat de vader zal domineren bij gezagsbeslissingen, vindt de rechtbank gegrond. Dit zou moeten gebeuren in gelijkwaardig overleg en in gezamenlijkheid. Nu dit niet kan, krijgt de vader geen gezag over zijn kind.
