Studiefinanciering en stagevergoeding leiden tot lagere alimentatie voor jongmeerderjarige

23 april 2024 | Personen- en familierecht

Een vader vraagt de rechtbank om de kinderalimentatie voor zijn jongmeerderjarige dochter op nihil te stellen. Dat gaat volgens de rechtbank Den Haag in haar situatie te ver. Wel houdt de rechtbank bij het vaststellen van de behoefte van het kind rekening met de studiefinanciering en stagevergoeding die zij krijgt.

Een gescheiden stel heeft twee kinderen. De vader betaalt de moeder € 214 per kind per maand, op basis van een beschikking van vier jaar geleden. Hij vraagt de rechtbank om de kinderalimentatie voor zijn oudste dochter op nul te stellen, omdat de moeder inmiddels een hoger inkomen heeft en deze jongmeerderjaige studiefinanciering en een stagevergoeding krijgt. Voor het andere kind wil de vader dat de kinderalimentatie wordt verlaagd.

Gewijzigde omstandigheden

Volgens de wet kan de rechtbank de alimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd. Daar is hier volgens de rechtbank sprake van: de moeder verdient inmiddels meer dan dat zij deed toen de alimentatie werd vastgesteld. Dit is voldoende reden om de kinderalimentatie aan te passen.

Behoefte

Om de hoogte van de kinderalimentatie van de oudste dochter vast te stellen kijkt de rechtbank eerst naar het bedrag dat zij nodig heeft om de kosten van haar levensonderhoud te kunnen dragen, de 'behoefte' genoemd. Bij jongmeerderjarigen en studenten wordt daarbij ook gekeken naar de normbedragen uit de Wet op de Studiefinanciering 2000. Deze dochter krijgt studiefinanciering in de vorm van een basisbeurs en een aanvullende beurs. Deze bedragen moeten op haar behoefte in mindering worden gebracht, oordeelt de rechtbank. Dat geldt ook voor de vergoeding die zij krijgt voor haar stage, nu zij daarmee een deel van haar kosten zelf kan betalen. De behoefte van deze dochter wordt vastgesteld op € 323. Bij het andere kind wordt de hoogte vastgesteld op basis van de behoefte van vier jaar geleden, gecorrigeerd voor inflatie, en komt de rechtbank uit op € 435 per maand.

Verdeling

De moeder heeft inmiddels een hoger inkomen, maar de ouders hebben desalniettemin nog onvoldoende draagkracht om in de behoefte van hun beide kinderen te voorzien. Samen hebben zij een draagkracht van € 656 per maand. Het beschikbare bedrag moet dan over de twee kinderen worden verdeeld. Uitgangspunt daarbij is dat dit evenredig gebeurt, maar op basis van vaste rechtspraak kunnen bijzondere omstandigheden aanleiding geven voor een andere verdeling. Volgens de rechtbank is daarvan in deze zaak sprake, nu er een fors verschil is in de behoefte van de twee kinderen. De jongmeerderjarige dochter krijgt daarom meer, nu de kosten van haar levensonderhoud hoger zijn.

ECLI:NL:RBDHA:2024:4045

Bron:Rechtbank Den Haag| jurisprudentie| ECLI:NL:RBDHA:2024:4045 C/09/653525 / FA RK 23-6572| 21-03-2024