Een bouwbedrijf betaalt de factuur van een ingeschakelde architect niet. Volgens het bouwbedrijf is er geen overeenkomst met het bedrijf, maar met een van zijn bestuurders. Daarom hoeft het de factuur niet te betalen. De kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is het daar niet mee eens.
Een bouwbedrijf schakelt een architectenbureau in bij een bouwproject. Er worden gesprekken gevoerd op het kantoor van deze bouwonderneming, waarna de opdracht wordt bevestigd in correspondentie tussen het architectenbureau en een bestuurder van het bouwbedrijf.
Wanbetaling
Nadat de eerste werkzaamheden zijn uitgevoerd stuurt het architectenbureau twee facturen. Op verzoek van de betrokken bestuurder van het bouwbedrijf worden die op naam gezet van de holdingmaatschappij van de bestuurder. De eerste factuur wordt betaald, de tweede niet. Aan de holdingmaatschappij wordt daarna surseance van betaling verleend. Het architectenbureau eist daarom bij de kantonrechter dat de tweede factuur door het bouwbedrijf wordt betaald. Het bouwbedrijf weigert te betalen; volgens de bouwonderneming handelde de bestuurder als privépersoon en is er geen overeenkomst tussen het architectenbureau en het bouwbedrijf.
Overeenkomst
De kantonrechter ziet zich voor de vraag gesteld of de bestuurder bij het aangaan van de opdracht handelde als vertegenwoordiger van het bouwbedrijf of namens zichzelf. Het antwoord daarop is op basis van vaste rechtspraak afhankelijk van wat het architectenbureau en de bestuurder daarover naar elkaar hebben verklaard en uit elkaars gedrag hebben mogen afleiden. Hierbij moet in ieder geval ook worden gekeken naar de voor de wederpartij kenbare hoedanigheid en de context waarin de partijen optraden.
Vertegenwoordiger
Op basis van dit criterium komt de kantonrechter tot de conclusie dat het architectenbureau bij het sluiten van de overeenkomst mocht aannemen dat de bestuurder optrad als vertegenwoordiger van het bouwbedrijf. Voor dat oordeel is doorslaggevend dat de bestuurder op het moment dat de opdracht werd aangegaan zelfstandig bevoegd was om het bouwbedrijf te vertegenwoordigen. Dat was voor het architectenbureau bekend op basis van informatie uit het Handelsregister. Ook speelt mee dat de gesprekken over de opdracht plaatsvonden op het kantoor van het bouwbedrijf en dat daarbij een van zijn medewerkers aanwezig was. Die heeft ook met de architect gemaild over de opdracht. Hierdoor dient te worden geconcludeerd dat een overeenkomst tot stand is gekomen met het bouwbedrijf, en niet met de bestuurder, zo oordeelt de kantonrechter. Het bouwbedrijf moet de nog onbetaalde factuur daarom voldoen.
