Minderjarige krijgt voorlopig omgang met halfbroer en -zus

8 april 2024 | Personen- en familierecht

Een minderjarige dochter van gescheiden ouders heeft na de scheiding jarenlang bij haar moeder gewoond, samen met haar halfbroertje en halfzusje – de kinderen die haar moeder heeft met haar nieuwe partner. Inmiddels woont de dochter bij haar vader, maar ze mist haar halfbroer en -zus. In een brief aan de rechtbank Noord-Nederland vraagt ze om omgang met hen.

Een minderjarig kind kan zich volgens de wet in diverse situaties via een 'informele rechtsingang' – dus per brief, e-mail of telefoon – tot de rechter wenden. Dat kan bijvoorbeeld met een verzoek om omgang met mensen die met het kind in een 'nauwe en persoonlijke betrekking' staan, zoals bedoeld met de term 'family life' in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In deze zaak is sprake van zo'n 'nauwe persoonlijke betrekking' tussen de minderjarige dochter en haar halfbroer en -zus, omdat ze een bloedband hebben en een aantal jaren als onderdeel van een samengesteld gezin onder één dak hebben samengeleefd. De rechter heeft zich daarom over het verzoek van het kind kunnen buigen.

Fysiek contact

Het contact tussen de moeder en haar minderjarige dochter is verslechterd sinds het kind bij haar vader is gaan wonen. De dochter voelt veel spanning als ze bij haar moeder is. Daardoor komt ze al langere tijd niet meer bij haar thuis, en dus ook niet bij haar halfbroertje en halfzusje. Ze beeldbelt wel elke week met haar halfbroer en -zus, maar liever zou ze fysiek contact met hen hebben. Ze vraagt de rechter om dat mogelijk te maken.

Omgang

De ouders van het kind hebben geen contact meer met elkaar en maken elkaar verwijten, onder meer over de recente verhuizing van de dochter naar haar vader. Maar tegen de wens van het kind om omgang te hebben met haar halfbroer en -zus hebben ze allebei geen bezwaar, en ze zijn bereid mee te werken aan de inzet van hulpverlening om de omgang concreet en praktisch uit te werken. De rechter beslist daarom dat de omgang tussen het drietal in aanwezigheid (op afstand) van de moeder of de stiefvader voorlopig minimaal één keer per maand moet plaatsvinden, en dat daarbij een hulpverlener aanwezig is als de dochter dat wil. Dit is nog geen definitieve beslissing. Over drie maanden wordt tijdens een mondelinge behandeling met alle betrokkenen besproken hoe dit gaat. In een brief, die in de uitspraak is opgenomen, licht de rechtbank de beslissing aan de dochter toe.

ECLI:NL:RBNNE:2023:5220 

Bron:Rechtbank Noord-Nederland| jurisprudentie| ECLI:NL:RBNNE:2023:5220| 20-12-2023