Invorderen dwangsom bij overtreden uitstalvergunning was terecht

16 april 2024 | Bestuursrecht

Een winkelier heeft een vergunning om op het trottoir uitstallingen te plaatsen voor zijn groente, fruit en zuivel, maar hij overtreedt de daarbij gestelde voorschriften. Zowel de rechtbank als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college van b&w de verbeurde dwangsommen van in totaal € 5.000 heeft mogen invorderen. 

De winkelier moet op basis van de verleende uitstalvergunning een doorgang van 1,20 meter vrijhouden op de stoep, zodat die veilig gebruikt kan worden. Bij toezichtcontroles blijkt echter dat de man verschillende keren een pallet met spullen en een reclamebord buiten die zone heeft geplaatst. Het college van burgemeester en wethouders legt hem daarom een dwangsom op van €500 per dag met een maximum van € 5.000. Als blijkt dat de man de overtreding daarna niet beëindigt, besluit het college tot invordering van de verbeurde dwangsommen van in totaal € 5.000. De winkelier vindt dit onterecht en stapt naar de rechtbank Gelderland. Die stelt hem in het ongelijk, waarna de man in hoger beroep gaat bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

Mondelinge afspraken

Volgens de winkelier waren er mondelinge afspraken op basis waarvan hij de pallet en het reclamebord buiten de vergunde zone mocht zetten. Deze afspraken blijken echter nergens uit. Tijdens de coronapandemie gold weliswaar een verruiming van de verleende uitstalvergunning, maar deze was niet van toepassing tijdens de toezichtcontroles waarop deze zaak betrekking heeft. Het betoog van de winkelier dat daarom mocht worden afgeweken van de uitstalvergunning slaagt dan ook niet.

Gelijkheidsbeginsel

De man stelt verder dat de dwangsom niet mocht worden ingevorderd, omdat dit in vergelijkbare gevallen ook niet is gedaan. Hij onderbouwt dit betoog met twee foto’s. De Afdeling wijst ook dit argument af. Volgens vaste rechtspraak is het aan degene die een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel om aannemelijk te maken dat sprake is van gelijke gevallen die verschillend zijn behandeld. De foto’s zijn volgens de Afdeling echter onvoldoende om tot die conclusie te komen.

Buitenproportioneel

Tot slot betoogt de winkelier dat de dwangsom van € 5.000 buitenproportioneel hoog is ten opzichte van het doel dat ermee wordt beoogd. Volgens vaste rechtspraak kan alleen in bijzondere gevallen een opgelegde dwangsom worden gematigd. De man heeft niet duidelijk gemaakt dat sprake is van zo'n bijzonder geval. Dat het college later aan hem heeft laten weten dat hij zijn spullen wel buiten de vergunde plek mocht zetten, zoals de man stelt, heeft hij niet kunnen aantonen. Dit kan ook niet worden beschouwd als een bijzonder geval dat tot matiging van de dwangsom kan leiden. Net als de rechtbank oordeelt de Afdeling dan ook dat het college de dwangsommen heeft mogen invorderen. De winkelier moet de € 5.000 gewoon betalen.

ECLI:NL:RVS:2024:1292

Bron:Raad van State| jurisprudentie| ECLI:NL:RVS:2024:1292 202205413/1/A3| 26-03-2024