Hulpverleningstraject niet in strijd met Verdrag van Istanboel

1 juli 2026 | Personen- en familierecht

Een biologische vader mag zijn dochter erkennen, ook als de moeder en het kind daartegen zijn. Dat oordeelt de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Volgens de rechtbank weegt het uitgangspunt dat de juridische situatie zoveel mogelijk moet aansluiten bij de biologische werkelijkheid in deze zaak zwaarder dan de bezwaren van de moeder en het kind.

Een man en een vrouw hebben jarenlang een relatie. Tijdens die relatie wordt een dochter geboren. De man erkent haar echter niet. Na de beëindiging van de relatie verslechtert het contact tussen de ouders ernstig. De moeder verzet zich tegen erkenning. Zij stelt dat de man tijdens de relatie grensoverschrijdend gedrag heeft vertoond en dat zowel zij als haar dochter veel weerstand tegen hem heeft. Ook de dochter laat tijdens een gesprek met de rechter weten dat zij niet wil dat de man haar erkent.

Uitgangspunt van de wet

De rechtbank legt uit dat de wet als uitgangspunt heeft dat de juridische afstamming zoveel mogelijk overeenkomt met de biologische werkelijkheid. Daarom heeft zowel een kind als de biologische vader in beginsel recht op een familierechtelijke band. Alleen in uitzonderlijke situaties kan vervangende toestemming voor erkenning worden geweigerd. Dat is bijvoorbeeld het geval als erkenning de verhouding tussen moeder en kind ernstig verstoort of als daardoor de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind in gevaar komt.

Onvoldoende zwaarwegende bezwaren

De rechtbank begrijpt dat de verhoudingen tussen de ouders ernstig zijn verstoord en dat de dochter weerstand voelt tegen haar vader. Ook ziet de rechtbank dat de dochter is belast met informatie die niet past bij haar leeftijd, zoals het feit dat haar vader haar als ongewenst beschouwde. Toch is dat volgens de rechtbank onvoldoende om de erkenning te weigeren. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de moeder door de erkenning niet langer in staat zal zijn haar dochter een stabiele opvoeding te bieden of dat de erkenning zelf de ontwikkeling van het kind zal schaden. De bezwaren van de moeder hebben vooral betrekking op gezag en omgang. Die onderwerpen moeten volgens de rechtbank los van de erkenning worden beoordeeld. Daarom verleent de rechtbank de vader vervangende toestemming om zijn dochter alsnog te erkennen.

Omgang en gezag nog niet beslist

Over het gezag en de omgang neemt de rechtbank nog geen beslissing. Eerst moeten de ouders deelnemen aan een uitgebreid hulpverleningstraject. Daarbij wordt onder meer onderzocht of sprake is geweest van dwingende controle of huiselijk geweld door de vader en welke hulp nodig is om veilig te kunnen werken aan herstel van het contact tussen vader en dochter.

Vedrag van Istanboel

De rechtbank verwijst daarbij nadrukkelijk naar de verplichtingen uit het Verdrag van Istanboel ter bestrijding van huiselijk geweld tegen vrouwen. Op basis van dit verdrag mogen slachtoffers van huiselijk geweld niet worden gedwongen deel te nemen aan mediation of vergelijkbare procedures indien sprake is geweest van huiselijk geweld. Dit verbod is bedoeld om te voorkomen dat slachtoffers opnieuw slachtoffer worden van het systeem en om hun veiligheid en rechtspositie te waarborgen. Volgens de rechtbank is de beslissing om het hulpverleningstraject aan te gaan niet in strijd met dit verdrag, omdat het als doel heeft te onderzoeken of en hoe er kan worden gewerkt aan herstel van contact. Pas na het traject zal worden beoordeeld of gezamenlijk gezag of een omgangsregeling in het belang van het kind is.

ECLI:NL:RBZWB:2026:4511

Bron:Rechtbank Zeeland-West-Brabant| jurisprudentie| ECLI:NL:RBZWB:2026:4511| 22-04-2026