Geen reden voor verdeling van gemeenschappelijk terrein in kort geding

30 april 2025 | Personen- en familierecht

Een stel heeft na hun echtscheiding nog geen overeenstemming bereikt over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Het lukt de man niet in kort geding alvast de verdeling van een gemeenschappelijk terrein af te dwingen.

De man en de vrouw hebben samen een onderneming. Die onderneming is gevestigd op een terrein waarop zij samen een recht van erfpacht hebben. Vanwege aanzienlijke schulden wil de man dat dit terrein, met de dienstwoningen en horeca daarop, alvast wordt verdeeld. Volgens de man kan niet langer worden gewacht met de verkoop van het terrein. Hij heeft aanzienlijke schulden. Zo heeft hij samen met de vrouw een bedrag van ongeveer € 230.000 aan zakelijke schulden en komt daar voor hem privé nog een bedrag bij van ongeveer € 211.000. De man heeft de opbrengst van de verkoop nodig om deze schulden af te lossen. Hij vreest dat de schuldeisers op korte termijn hun vorderingen zullen gaan executeren. Er is ook al iemand die tegen een goede prijs het perceel wil kopen. Daarom kan hij niet wachten tot een uitspraak in een bodemprocedure over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Maar de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wijst het verzoek van de man af. Hij gaat in hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.

Onderbouwing

Maar ook het gerechtshof kan de man niet volgen. Volgens het hof heeft de man zijn schulden onvoldoende onderbouwd, terwijl de vrouw voldoende duidelijk heeft gemaakt dat de schuldenoverzichten van de man niet kloppen. Zo zijn bepaalde vorderingen in de overzichten al betaald en worden rekeningen – die contant zijn afgerekend – door de man niet afgeboekt, waardoor vorderingen onterecht  in de boeken blijven staan en oplopen. Ook zijn bepaalde vorderingen verjaard en enkele geldleners overleden. 

Executeren

Daarnaast is voor het gerechtshof ook niet duidelijk dat schuldeisers op korte termijn vorderingen zullen gaan executeren. Zo is aan een door een man ingebrachte sommatie van ruim een maand geleden geen opvolging gegeven door de betreffende schuldeiser. Ook de aanmaning van een leverancier vindt het gerechtshof niet overtuigend. Het is vreemd dat deze leverancier – die ook een vriend van de man is – al vier jaar lang goederen blijft leveren, terwijl er bij die leverancier op papier torenhoge schulden zouden zijn.

Noodzaak

Verder meent het gerechtshof dat – voor zover er al een executiegevaar zou zijn – de man niet duidelijk heeft gemaakt waarom dit gevaar alleen maar kan worden afgewend met de verkoop van het terrein. De man had moeten aantonen dat zijn andere inkomsten, zoals de inkomsten uit het gemeenschappelijke bedrijf, de verhuur van een deel van het terrein en zijn AOW-uitkering, onvoldoende zijn om de schulden te voldoen. Ook heeft hij geen inzicht gegeven in zijn vermogen, zoals bijvoorbeeld het huis in het buitenland dat de man bezit.

Uitvechten

Vanwege dit alles ziet het gerechtshof niet in waarom in kort geding op de verdeling van de volledige gemeenschap van goederen moet worden vooruitgelopen door het terrein alvast te verdelen. De man en de vrouw moeten de verdeling van het terrein dus in een bodemzaak uitvechten.

ECLI:NL:GHAMS:2025:1006

Bron:Gerechtshof Amsterdam| jurisprudentie| ECLI:NL:GHAMS:2025:1006 200.347.440/01| 14-04-2025