Dwangakkoord bij maximaal haalbaar voorstel

25 april 2022 | Insolventierecht

Ook de grootste schuldeiser moet akkoord gaan met een saneringsakkoord, wanneer dit voorstel het maximaal haalbare lijkt. Dit volgt uit een rechtszaak bij de rechtbank Den Haag.

Een man heeft een schuld opgebouwd van bijna een ton. Omdat het hem niet lukt hiervoor zelf een oplossing te vinden, krijgen zijn schuldeisers een saneringsakkoord aangeboden. In dit akkoord krijgen zij met recht van voorrang 3.306 procent van hun geld terug. De gewone schuldeisers ontvangen 1,653 procent.

Van de schuldeisers gaan er 23 van de 24 akkoord, maar de grootste schuldeiser, een bank, stemt er niet mee in. De man vraagt de rechtbank de bank, die 68,36 procent van de totale schuldenlast draagt, te dwingen mee te werken aan de schuldregeling door een dwangakkoord op te leggen. Volgens hem is het onredelijk dat de bank het aanbod niet aanvaardt, omdat hij al het mogelijke heeft gedaan om dit percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Een hoger aanbod zou niet mogelijk zijn.

Volgens de bank is het voorstel echter niet goed en betrouwbaar gedocumenteerd en is er sprake van een onduidelijk en lang minnelijk schuldsaneringstraject. Ook zouden er onduidelijkheden zijn over de arbeidsongeschiktheid van de man en is er sprake van tegenstrijdigheden in het verhaal van de man. Bovendien is het voorstel niet het maximaal haalbare, aldus de bank.

Voorwaarden

Een verzoek tot oplegging van een dwangakkoord kan worden toegewezen als aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet er door de rechtbank worden vastgesteld dat de schuldbemiddeling op de juiste wijze is uitgevoerd. Daarnaast moet er aan de hand van een belangenafweging worden vastgesteld dat het onredelijk is dat de bank weigert in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

Het staat iedere schuldeiser vrij te wensen dat zijn vordering volledig wordt betaald. Het is echter ook belangrijk dat mensen met problematische schulden zicht hebben op een schuldenvrije toekomst, aldus de rechtbank. Aangezien de vordering van de bank met 68,36 procent een aanzienlijk deel van de totale schuldenlast betreft, kan niet snel worden geoordeeld dat het onredelijk is de schuldregeling te weigeren. Tegelijkertijd kent de wet geen bijzondere positie toe aan schuldeisers die een groot deel van de schuldenlast vertegenwoordigen. Het is daarom van belang dat de meerderheid van de schuldeisers wél met de aangeboden regeling heeft ingestemd.

Ondanks het feit dat het traject erg lang geduurd heeft, kan er niet worden gesteld dat het uiteindelijke voorstel niet goed en betrouwbaar gedocumenteerd is. Ook is de lange trajectduur geen aanwijzing dat het traject niet op de juiste wijze voorbereid of uitgevoerd is.

Daarnaast is het voldoende aannemelijk dat het voorstel van de man het maximaal haalbare is. Hierbij is van belang dat hij alleen een mavo-diploma heeft en tot nu toe ongeschoold werk heeft verricht tegen een minimumuurloon en op dit moment een wia-uitkering ontvangt.

Ook blijkt dat het dwangakkoord voor alle schuldeisers tot een gunstiger resultaat zal leiden dan de wsnp (Wet schuldsanering natuurlijke personen). Toepassing van deze wet zal leiden tot hoge kosten, omdat de vergoeding van de bewindvoerder uit het gespaarde saldo wordt voldaan. Zo zal er vrijwel geen uitkering aan de andere schuldeisers overblijven.

De rechtbank wijst het verzoek van de man daarom toe. De bank zal met het akkoord moeten instemmen.

ECLI:NL:RBDHA:2022:3495

Bron: Rechtbank Den Haag | jurisprudentie | ECLI:NL:RBDHA:2022:3495, C/09/623679 / FT RK 22/23 en C/09/627705 / FT RK 22/273 | 24-04-2022