Dubieuze constructie opzetten is ‘onzedelijke’ rechtshandeling

31 oktober 2023 | Ondernemingsrecht

Bestuurders die een ‘constructie’ opzetten met als doel financiers te benadelen en er zelf beter van te worden, gedragen zich ‘onzedelijk’. Tot dat oordeel komt de rechtbank Overijssel in een faillissementszaak.

Een bedrijf dat zich bezighoudt met projectontwikkeling wordt failliet verklaard, en snel daarna volgen ook enkele vennootschappen binnen dit bedrijf. Die kochten tegen een lage prijs agrarische gronden aan om ze na een wijziging van het bestemmingsplan tot wonen met winst te kunnen verkopen.

Verdachte rechtshandelingen

Het bedrijf beschikte over een kredietfaciliteit van € 125.000.000 van een bank. Als de bank dreigt het krediet op te zeggen – wat snel daarna ook is gebeurd – vinden enkele ‘verdachte’ rechtshandelingen plaats: bedragen worden overgeboekt, aparte vennootschappen worden opgericht, ontwikkelrechten op grond worden overgeheveld.

Administratieplicht

De curatoren houden de twee bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort. Om te beginnen: zij hebben de administratieplicht geschonden. Zo zijn de jaarcijfers over 2013 pas op 2 februari 2015 gepubliceerd – dat had op 31 december 2014 rond moeten zijn. Maar dat is een termijnoverschrijding van slechts vijf weken, de rechtbank Overijssel vindt niet dat daarmee de publicatieplicht is geschonden.

Geld overgeheveld

Serieuzer is het feit dat de bestuurders, aldus de curatoren, gedurende vele jaren – tot aan de faillissementen – een constructie hebben opgetuigd en uitgevoerd waarbij zonder reële betaling activa, het winstpotentieel en de verdiencapaciteit werden overgeheveld van de gefailleerde vennootschappen naar andere vennootschappen, en dat ook op andere manieren bedragen aan de gefailleerde vennootschappen zijn onttrokken. Deze rechtshandelingen waren niet in het belang van de schuldeisers (zoals de bank), dit werd alleen gedaan in het voordeel van de vennootschappen.

Beschermingsconstructie

De bestuurders zien dit als een ‘beschermingsconstructie’, omdat de bank zich onbetrouwbaar begon op te stellen. De werkelijke oorzaak van het faillissement is volgens hen gelegen in de handelingen van de bank. Maar volgens de rechtbank was de constructie bewust zo opgezet om de verhaalsmogelijkheden van de bank te beperken. De bestuurders wilden door de overheveling het vermogen afschermen van de bank, omdat die de kredietfaciliteit wilde opzeggen. Rechtshandelingen die gericht zijn op benadeling van schuldeisers zijn in strijd met de goede zeden – en daarmee ook nietig.

Onzedelijke rechtshandelingen

Naar het oordeel van de rechtbank zal geen redelijk denkend en handelend bestuurder overgaan tot het verrichten van onzedelijke rechtshandelingen, zeker als die gericht zijn op de benadeling van de belangrijkste financier – hier: de bank. Zijn de bestuurders hoofdelijk aansprakelijk voor het faillissementstekort? Volgens de rechtbank wel: op grond van de wet is voor de aansprakelijkheid van bestuurders voldoende dat het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is geweest van het faillissement. Dat er ook andere oorzaken zijn geweest, waaronder de (beweerde) harde opstelling van de bank, betekent niet zonder meer dat daarmee het onbehoorlijk bestuur op zichzelf beschouwd geen belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Met die ‘beschermingsconstructie’ hebben de bestuurders zelf de omstandigheden in het leven geroepen waarbij de kans op het voortbestaan van het bedrijf verkleinde en de kans op een faillissement toenam. Juist deze ‘beschermingsconstructie’ is een belangrijke oorzaak van het faillissement, waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn.

ECLI:NL:RBOVE:2023:3729

Bron:Rechtbank Overijssel| jurisprudentie| ECLI:NL:RBOVE:2023:3729| 30-10-2023