Document ondertekend met digitale handtekening is niet altijd rechtsgeldig

30 november 2023 | Overeenkomstenrecht

Steeds vaker worden overeenkomsten ondertekend met een digitale handtekening. Dat betekent nog niet dat het systeem daarachter betrouwbaar is.

Een bestuurder van een vennootschap leent van een kredietverstrekker € 63.500. In de geldleningsovereenkomst, die de bestuurder digitaal heeft ondertekend, staat dat de vennootschappen een vaste rente van € 7.620 moet betalen en een premieopslag van € 12.192. Ook is een borgtocht afgesproken: de bestuurder moet zich persoonlijk borg stellen voor de terugbetaling.

Handtekening

Als de kredietverlener de vennootschap en de bestuurder sommeert de lening, rente en kosten terug te betalen, geven zij niet thuis. De kredietverlener stapt naar de rechtbank Rotterdam, die de vraag moet beantwoorden of de borgstelling wel rechtsgeldig tot stand is gekomen. De overeenkomst is immers niet met een ‘natte’ maar met elektronische handtekening ondertekend. De bestuurder zegt dat hij die elektronische handtekening nooit heeft geplaatst.

Betrouwbaar

Het juridisch kader van de betrouwbaarheid van een elektronische handtekening wordt bepaald door de zogenoemde Eidas-verordening. Op grond van het Burgerlijk Wetboek heeft de elektronische handtekening dezelfde rechtsgevolgen als een handgeschreven handtekening als deze ‘voldoende betrouwbaar’ is. Dat laatste moet de kredietverlener aantonen. Alleen het overleggen van een elektronisch ondertekende overeenkomst van borgtocht is niet voldoende om de betrouwbaarheid vast te stellen, aldus de rechtbank: dat zegt niks over de betrouwbaarheid van de herkomst van de handtekening. De kredietverlener had bijvoorbeeld inzicht moeten verschaffen in het proces van totstandkoming van de overeenkomst met de elektronische ondertekening als sluitstuk. In ieder geval moet de methode van ondertekening aan de wettelijke vereisten voldoen.

Waarborgen

In deze kwestie hebben bij de totstandkoming van de geldlenings- en borgtochtovereenkomst beide partijen niet fysiek met elkaar gesproken, alles verliep telefonisch en online. De kredietverlener heeft niet duidelijk gemaakt of er, naast het niet-vertrouwelijke ‘salespraatje’ met een medewerker van de vennootschap, telefonisch contact is geweest en zo ja, met wie, wanneer en wat daar precies is besproken. De contractfase had de kredietverlener uitbesteed aan een gespecialiseerd bedrijf. Dat stuurde een code naar de bestuurder, die daarmee kon inloggen op een digitale omgeving waar de borgtochtovereenkomst via een touchscreen kon worden getekend. Hoe dat verliep en welke waarborgen voor persoonlijke identificatie het systeem bood, blijft onduidelijk. En het adres waar de code naartoe is verstuurd, werd ook door collega’s van de bestuurder gebruikt. Niet is vastgesteld dat dit systeem voldoende bestand is tegen misbruik. Daarmee is het geen betrouwbaar systeem in de zin van de wet. Dit betekent dat het door de kredietverlener overgelegde digitale document niet het dwingende bewijs oplevert dat de overeenkomst van borgtocht is gesloten.

ECLI:NL:RBROT:2023:10194

Bron:Rechtbank Rotterdam| jurisprudentie| ECLI:NL:RBROT:2023:10194 C/10/653086 / HA ZA 23-164| 31-10-2023