Burgemeester onbevoegd tot hoger beroep in zaak over kosten inbeslaggenomen hond

17 oktober 2023 | Bestuursrecht

Een hond wordt na meerdere bijtincidenten inbeslaggenomen. De kosten voor die inbeslagname brengt het college van burgemeester en wethouders in rekening bij de hondenbaas. Dat bedrag wordt gematigd in de rechtbankprocedure die daarop volgt. Tegen deze beslissing stelt de burgemeester beroep in bij de Raad van State. Maar is hij daartoe wel bevoegd?

Na de inbeslagname brengt het college de kosten daarvan (€ 4.854) in rekening bij de hondenbezitter. Het betreft de kosten voor het toepassen van de (spoed)bestuursdwang. De man gaat hiertegen in bezwaar, dat het college deels gegrond verklaart. De man moet nu € 4.579 betalen.

Matiging

De hondenbaas gaat niettemin in beroep bij de rechtbank Noord-Nederland. Die oordeelt dat de tijdelijke inbeslagname rechtmatig was tot een bepaalde datum. Tot die tijd mocht het college de kosten van inbeslagname en bewaring op de man verhalen. Zijn beroep wordt daarom gegrond verklaard en het besluit van het college wordt vernietigd. De rechtbank stelt het bedrag van de kosten vast op € 3.298. Nu gaat de burgemeester in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bevoegd

Voordat de Afdeling zich inhoudelijk over de zaak buigt, moet zij eerst beoordelen of de burgemeester wel bevoegd was om hoger beroep in te stellen. Volgens de hondenbezitter is dat niet zo: de burgemeester is geen partij in het geschil en geen belanghebbende bij het besluit van het college over de bestuursdwangkosten.

Belanghebbende

De burgemeester ziet dit anders. Hij wijst erop dat hij sinds de wijziging van de Algemene plaatselijke verordening (APV) bevoegd is om bij gevaarlijke honden een aanlijn- en/of muilkorfgebod uit te vaardigen, dit gebod te handhaven, bestuursdwang aan te zeggen en ook de kosten daarvan te verhalen. Hij stelt dat hij moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarin staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Bij bestuursorganen worden de hun toevertrouwde belangen als hun belangen beschouwd.

Geen beroepsrecht

Met ‘het bestuursorgaan’ wordt bedoeld het bestuursorgaan dat het bij de rechtbank bestreden besluit heeft genomen of daar als verwerende partij optrad. Het bij de rechtbank bestreden besluit over de kosten van de toegepaste bestuursdwang is genomen door het college. De burgemeester was geen partij in de procedure bij de rechtbank en kan dan ook niet worden aangemerkt als bestuursorgaan volgens de Awb, zodat hij daaraan ook geen beroepsrecht kan ontlenen, aldus de Afdeling.

Protocol

Het belang van het kostenverhaal van de toegepaste bestuursdwang is niet aan de burgemeester maar aan het college toevertrouwd. Zoals de Afdeling eerder al onherroepelijk oordeelde, is de spoedeisende bestuursdwang gebaseerd op een artikel in de APV en in het Protocol bijtincidenten honden. In dat protocol staat dat als de houder van een hond die volgens de APV als gevaarlijk wordt beschouwd, zich niet aan de voorwaarden zoals een aanlijn- en muilkorfgebod houdt en de hond daarna weer een bijtincident veroorzaakt, het college kan besluiten het dier in beslag te nemen. Dat was hier het geval, waarna het college bestuursdwang heeft toegepast. De bevoegdheid tot toepassing van het protocol is pas na de hogerberoepstermijn en na het nemen van de besluiten over invordering van de bestuursdwangkosten van het college naar de burgemeester overgegaan. Dit betekent dat voor de burgemeester geen hoger beroep openstond.

Niet-ontvankelijk

De wisseling van een partij na afloop van de beroepstermijn of in de loop van de instanties is in beginsel uitgesloten. Dit betekent dat het college in deze fase van de procedure het hoger beroep ook niet van de burgemeester kan overnemen. Het hoger beroep is ingesteld door de burgemeester, en niet mede namens het college. De Afdeling verklaart het hoger beroep van de burgemeester daarom niet-ontvankelijk. De hondenbaas moet het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 3.298 betalen.

ECLI:NL:RVS:2023:3697

Bron:Raad van State| jurisprudentie| ECLI:NL:RVS:2023:3697| 15-10-2023