Biologische vader moet bijdragen aan studie en levensonderhoud jongmeerderjarige

7 februari 2024 | Personen- en familierecht

Een biologische vader weigert de kosten van zijn jongmeerderjarige dochter te betalen. De rechtbank verplicht de vader te gaan bijdragen aan studie en levensonderhoud en stelt de hoogte van de bijdrage vast.

Kort na haar 18e verjaardag heeft de biologische vader haar dochter erkend. Daardoor raakt ze haar (maximale) aanvullende studiebeurs kwijt. Als gevolg van de erkenning moet haar vader in haar onderhoud voorzien. De vader weigert dat. Het dwingt de dochter verschillende bijbaantjes aan te nemen. Anders kan zij de kosten van haar levensonderhoud en haar studie niet betalen. De dochter wil dat de vader daaraan gaat bijdragen en dient daarvoor een verzoek in bij de rechtbank Rotterdam.

Onderhoudsplicht                                                                              

Op basis van de wet moeten ouders verplicht betalen voor het onderhoud van hun jongmeerderjarige kinderen. Dat zijn kinderen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar. Een jongmeerderjarige is nog niet verplicht om een eigen inkomen te verwerven. Ouders hebben hierin geen keuzevrijheid. Daardoor staat het voor de rechtbank vast dat de vader – die na de erkenning de juridische vader is geworden – moet bijdragen aan het onderhoud van zijn dochter.

Behoefte dochter

Om te bepalen hoeveel de vader moet bijdragen, kijkt de rechtbank eerst naar de kosten van de dochter. Dit wordt de ‘behoefte’ genoemd. Om de behoefte te bepalen gebruikt de rechtbank normbedragen uit de Wet op de Studiefinanciering 2000. De basisbeurs die de dochter ontvangt wordt op die normbedragen in mindering gebracht. Ook wordt een bedrag aan woonlasten afgetrokken, omdat de dochter thuis woont. De inkomsten van de dochter uit bijbaantjes worden niet verrekend. De dochter is dit werk immers gaan doen omdat haar studiebeurs wegviel. De dochter wil juist minder werken zodat zij zich op haar studie kan richten.

Bijdrage vader

De rechtbank bepaalt dat de vader vanaf 2024 ongeveer € 605 per maand moet gaan betalen aan de dochter. Dit bedrag is de uitkomst van een uitgebreide berekening. Die is gebaseerd op de draagkracht van alle ouders (in deze zaak de vader, de moeder, de stiefvader en de partner van de vader) volgens de methode van de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak.

Hoogste bijdrage

De vader moet uiteindelijk van iedereen het meest gaan bijdragen aan de kosten van de dochter. Zijn draagkracht is een stuk hoger dan die van de moeder en de stiefvader. De moeder en de stiefvader hebben samen ook nog eens vijf andere kinderen waarover hun inkomen moet worden verdeeld. Dat leidt ertoe dat zij minder kunnen betalen aan de meerderjarige dochter waar deze zaak over gaat.

ECLI:NL:RBROT:2024:425

Bron:Rechtbank Rotterdam| jurisprudentie| ECLI:NL:RBROT:2024:425| 21-01-2024