Bestuurder kan beschuldiging van onbehoorlijk bestuur niet weerleggen

12 maart 2024 | Insolventierecht

Als zijn twee bv’s failliet gaan, wordt de eigenaar beschuldigd van onbehoorlijk bestuur. Die beschuldigingen probeert hij te weerleggen, maar hij slaagt daar volgens de rechtbank niet in.

Een man heeft twee bv’s – het ene bedrijf is voor automatiseringsadvies, de andere bv houdt daarin de aandelen. Beide bv's gaan failliet, met achterlating van € 29.257 aan schulden. Volgens de curator heeft de bestuurder zijn publicatieplicht geschonden en daarom is hij van plan hem aansprakelijk te stellen. De curator stelt de bestuurder in de gelegenheid aannemelijk te maken dat andere – van buiten komende – omstandigheden dan de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van de faillissementen zijn geweest. Nu hem dat volgens de curator niet lukt, wil die dat de rechtbank Limburg de bestuurder veroordeelt tot betaling van het volledige boedeltekort van beide bedrijven.

Weinig opdrachten

Bij de rechtbank betoogt de bestuurder dat de faillissementen zijn veroorzaakt door een opeenstapeling van schulden en het feit dat er weinig opdrachten binnenkwamen. Klanten liepen weg omdat de bestuurder specifieke IT-kennis niet meer kon bieden. Vanwege de penibele financiële situatie kon hij ook geen accountant meer betalen. En door allerlei omstandigheden moest hij meer tijd besteden aan een ander bedrijf van hem (een hamburgerzaak), en daardoor kwam hij niet meer toe aan het besturen van de twee bv's.

Jaarrekening te laat gepubliceerd

Wat dat laatste betreft: dat is geen van buiten komende oorzaak omdat hij zelf die keuze heeft gemaakt, stelt de curator. Dat hij veel te weinig tijd besteedde aan zijn bv’s en jaarrekeningen niet of te laat publiceerde, geeft de bestuurder zelf ook toe. Dat hij de accountant niet kon betalen, vindt de curator geen excuus: een boekhouder is niet wettelijk verplicht. Alleen al het te laat publiceren van de jaarrekening is aan te merken als onbehoorlijk bestuur.

Evident onbehoorlijk bestuur

De bestuurder besteedde bijna al zijn tijd aan zijn hamburgerzaak, waardoor zijn adviesbureau klanten verloor. Geen redelijk denkend bestuurder zou – aldus de curator – de verantwoordelijkheid van een bestuursfunctie op zich nemen en daaraan vervolgens nauwelijks invulling geven. De bestuurder had redelijkerwijs moeten weten dat de schuldeisers hierdoor zouden worden benadeeld. Hij heeft verder niet inzichtelijk gemaakt in hoeverre de beperkte opdrachten hebben geleid tot de omzetdaling en hoe hij heeft geprobeerd klanten terug te winnen. Duidelijk is dat hij ineens alle activiteiten voor de bv’s staakte. Daarmee viel de omzet weg maar liepen veel kosten door – en dít heeft volgens de curator het faillissement veroorzaakt. Het zomaar staken van de activiteiten zonder de vennootschap fatsoenlijk te laten eindigen door bijvoorbeeld een ontbinding, is evident onbehoorlijk bestuur, zo stelt de curator. Wel kan de bestuurder proberen aannemelijk te maken dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest.

Boedeltekort

Dat lukt de bestuurder niet, oordeelt ook de rechtbank. Vooral het verhaal over de weggevallen opdrachtgevers vindt de rechtbank zwak. De bestuurder had de klanten kunnen vragen waarom zij waren vertrokken. Nu de bestuurder niet aannemelijk heeft gemaakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest, wordt hij veroordeeld tot betaling van het volledige boedeltekort. Het bedrag moet overigens wel in een aparte zogeheten schadestaatprocedure worden vastgesteld.

ECLI:NL:RBLIM:2023:7587

Bron:Rechtbank Limburg| jurisprudentie| ECLI:NL:RBLIM:2023:7587| 26-12-2023