Bank niet aansprakelijk voor faillissement reisorganisatie

1 maart 2024 | Insolventierecht

Een grote reisorganisatie gaat failliet nadat de bank de kredietrelatie met deze organisatie heeft opgezegd. De rechtsopvolger van de reisorganisatie eist een schadevergoeding van de bank, nu die het faillissement zou hebben veroorzaakt.

De reisorganisatie heeft een kredietovereenkomst met een bank. Het gaat financieel slecht met het bedrijf en daardoor komt het bij deze bank in bijzonder beheer en stelt de financiële dienstverlener aanvullende voorwaarden aan de kredietrelatie. Zo krijgt de bank extra zekerheden en moet de reisorganisatie het eigen vermogen versterken. Het bedrijf voldoet niet aan die voorwaarden, waardoor de bank de kredietrelatie opzegt. De reisorganisatie krijgt daarna nog een kans met een overbruggingskrediet, in de hoop dat er een investeerder wordt gevonden. Als dit te lang duurt, verlengt de bank het overbruggingskrediet niet. De reisorganisatie vraagt het faillissement aan.

Aansprakelijk

De bank is volgens de reisorganisatie aansprakelijk voor het faillissement. Door aanvullende voorwaarden te stellen, de kredietrelatie op te zeggen en het overbruggingskrediet niet te verlengen, heeft de bank haar zorgplicht geschonden en onrechtmatig en in strijd met de redelijkheid en billijkheid gehandeld. De reisorganisatie eist een schadevergoeding van € 71 miljoen.

Buitenproportioneel 

De aanvullende voorwaarden die de bank aan de kredietrelatie stelde waren volgens de reisorganisatie buitenproportioneel en niet onderbouwd. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ziet dit anders. De financiële positie van de onderneming was slecht en dat bracht een groot kredietrisico mee voor de bank. De dor de bank gestelde voorwaarden waren passend en mochten worden gesteld.

Opzegging

Volgens de reisorganisatie mocht de bank de kredietrelatie niet opzeggen. De bank had het bedrijf meer tijd moeten gunnen om aan de aanvullende voorwaarden te voldoen. Maar ook hier heeft de bank volgens het hof niets fout gedaan. Zij toonde begrip door de termijn om aan de aanvullende voorwaarden te voldoen te verlengen. Omdat de financiële situatie van de reisorganisatie verder verslechterde en ook de prognoses niet goed waren, was de opzegging terecht.

Overbruggingskrediet

Tot slot vindt de reisorganisatie dat de bank het overbruggingskrediet met vier dagen had moeten verlengen. Op basis van de beschikbare financiële informatie maakte de bank een onjuiste afweging. In die vier dagen had de reisorganisatie een transactie met een investeerder kunnen afronden en kunnen voldoen aan alle door de financiële dienstverlener gestelde voorwaarden. Ook deze argumenten helpen de reisorganisatie niet. De bank mocht de financiële informatie die er lag naar eigen inzicht wegen. Het hof begrijpt ook goed dat de bank niet nog vier dagen wachtte; zij had al genoeg geduld getoond. En al zou het overbruggingskrediet zijn verlengd, zo oordeelt het hof, dan zou de reisorganisatie wel om een andere reden failliet zijn gegaan. Het faillissement is dus op geen enkele manier aan de bank te wijten.

ECLI:NL:GHARL:2024:1176

Bron:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden| jurisprudentie| ECLI:NL:GHARL:2024:1176| 19-02-2024