As van overleden moeder mag niet worden gesplitst

7 mei 2024 | Personen- en familierecht

Een broer en een zus zijn het niet eens over de bestemming van de as van hun overleden moeder. De zus wil deze ongesplitst uitstrooien, de broer wil een deel houden om in een sieraad te plaatsen. De rechtbank Limburg bepaalt dat de as niet mag worden gesplitst, omdat dit vermoedelijk de wens van de moeder was.

De overleden vrouw in deze zaak kwam uit een schippersfamilie. Ze wilde dat haar as na haar overlijden uitgestrooid zou worden op de plek waar zij is geboren; bij een specifieke aanlegpaal bij een bepaalde sluis in Nederland. De as van haar vader (de opa van de broer en zus) is daar ook uitgestrooid. De broer zou graag wat van de as houden om als tastbaar aandenken in een sieraad te plaatsen. Volgens de zus druist dat in tegen de wens van de moeder. Daarom vraagt zij de rechtbank te bepalen dat de as in zijn geheel wordt uitgestrooid bij de sluis.

Vermoedelijke wens

Volgens de wet moet de as van een overleden persoon na crematie worden behandeld in lijn met de wens of de vermoedelijke wens van de overledene. In deze zaak heeft de moeder niets op schrift gesteld over de bestemming van haar as na haar overlijden. De rechtbank onderzoekt daarom wat haar vermoedelijke wens is geweest.

Consistente wens

De broer en zus zijn het erover eens dat de vermoedelijke wens van hun moeder was dat haar as zou worden uitgestrooid bij de sluis. Volgens de broer was het echter ook haar wens dat hij een deel van de as zou krijgen. Hij baseert zich op een uitspraak van zijn moeder dat hij ‘wel wat as mocht hebben’. De rechtbank vindt dat hieruit niet de eigen, consistente wens van de moeder blijkt dat haar as gesplitst zou worden, ook omdat de broer niets heeft gezegd over het moment waarop en de omstandigheden waaronder dit gesprek zou hebben plaatsgevonden. Verder heeft hij niets aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt.

Ongesplitst

De zus daarentegen heeft negen verklaringen van familieleden, vrienden en bekenden van haar moeder ingebracht waaruit de uitdrukkelijke, principiële wens van haar moeder blijkt dat haar as niet gesplitst zou worden. Haar broer is volgens haar de enige die zegt dat hun moeder wilde dat een klein deel van haar as in een sieraad terecht zou komen. De moeder wilde volgens de zus dat haar as in zijn geheel, en dus ongesplitst, zou worden uitgestrooid in de overtuiging ‘je komt in zijn geheel en gaat in zijn geheel’. De zus verduidelijkt dit principe nog met het verhaal dat haar moeder het verschrikkelijk vond dat de as van haar ex-partner ook deels door zijn kinderen is behouden.

Oordeel

Volgens de rechtbank heeft de broer onvoldoende gesteld ter onderbouwing van zijn standpunt. De rechtbank oordeelt dan ook dat het de vermoedelijke wens van moeder was dat haar as, ongesplitst, bij de sluis zou worden uitgestrooid. De rechtbank bepaalt dat het op die manier moet gebeuren.

ECLI:NL:RBLIM:2024:1603

 

Bron:Rechtbank Limburg| jurisprudentie| ECLI:NL:RBLIM:2024:1603| 12-03-2024